Welkom !

Van harte welkom op de website over de Bähler’s in Nederland; dat wil zeggen: de theologenfamilie.

Het initiatief voor deze site is genomen in verband met een door mij gehouden lezing over dr. Louis Adriën Bähler. Hij was predikant in o.a. Oosterwolde-Frl (1902-1909).

In 2010 hield ik de lezing over hem in verband met het 275-jarig jubileum van de Dorpskerk in Oosterwolde. Bij het opstellen van de inleiding bleek mij dat het noodzakelijk was om ver terug te gaan in de geschiedenis van de familie om Louis Adriën te plaatsen tegen de achtergrond van zijn voorouders (en met name zijn voorvaders) in rechte lijn, allen predikanten en de drie generaties vóór hem ook met naam en faam in de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Op 23 maart verscheen bij Bureau Deus deel 2 in de serie Vrijzinnig Verleden. Daarvoor heb ik een hoofdstuk mogen schrijven over Louis Adriën Bähler. Daarin veel nieuwe informatie op basis van een in 2015 door mij op een veiling gekocht deel van het persoonlijke archief Bähler.

Voor commentaar, informatie of vragen kan het contactformulier worden gebruikt.

Hierna volgt de lezing die ik op 23 maart heb gehouden bij de presentatie van het boek Vrijzinnig Verleden – deel 2.

 “Kies dan heden wie gij dienen zult!”

 We schrijven 15 januari 1911, Aduard, provincie Groningen. De predikant in de hervormde kerk, Louis Adriën Bähler, houdt een preek over gedeelten uit Jozua 24 met daarin de boodschap van Jozua aan het volk: Kies dan heden wie gij dienen zult.
Het begin van de preek gaat echter over Hercules (ook wel Herakles), de mythologische figuur die zijn leraar met een lier dood sloeg en vervolgens – niet voor straf, maar om erger te voorkomen – buiten de stad het vee moest hoeden. Toen hij volwassen geworden was stond hij op een tweesprong in zijn leven: moet ik kiezen voor het goede of voor het kwade?
En als verbeelding van die keuze kwamen er twee vrouwen op Hercules af, die elk om zijn gunsten vroegen. Toen Hercules de vrouwen naar hun namen vroeg, stelde de ene  – een zeer aantrekkelijke vrouw – zich voor als Gelukzaligheid.  Hercules zou het bij haar – naar haar eigen zeggen – aan niets ontbreken. Hij zou genieten van laten we maar zeggen “alle geneugten des levens’. Ze zei er wel eerlijk bij dat haar vijanden andere namen voor haar hadden. Die noemden haar Ondeugd en Liederlijkheid.
De tweede – een stuk minder aantrekkelijke – vrouw stelde zich vervolgens voor als Deugd en Eerbaarheid. “Volg mij,” zei ze, “maar …..de goden laten de mens niets toekomen zonder moeite en inspanning.”
Hercules moest kiezen: De ene: Ondeugd en Liederlijkheid of de andere: Deugd en Eerbaarheid. De kerkgangers luisterden ongemakkelijk naar de woorden van de predikant. Ze begrepen namelijk maar ál te goed waarover hij het had. De afgelopen week namelijk was er een onderwijzer van school opgepakt vanwege ontuchtige handelingen met kinderen.

De dominee ging vervolgens naadloos over naar het verhaal van Jozua en liet de kerntekst als een soort mantra in de dienst terugkeren: Kies dan heden wie gij dienen zult! Hij deed dat zeer indringend omdat hij wist dat de kerkgangers de zaak van de onderwijzer in de doofpot wilden doen en hem juist de hand boven het hoofd hielden. De predikant hoopte dat zijn indringende oproep gehoor zou vinden. Niets bleek minder waar: de kerkenraad gaf hem te kennen dat ze van dergelijke preken niet gediend waren. Voor de predikant was dat reden om per direct zijn ambt neer te leggen. Hij was gewend nooit een blad voor de mond te nemen en toen hem de mond door de kerkenraad werd gesnoerd, besloot hij dat hij dan geen predikant meer kon zijn.
En zo kwam er na vijftien jaar toch nog vrij plotseling een einde aan het predikantschap van dr. Louis Adriën Bähler. Hij beschouwde deze preek als zijn afscheidspreek van het dorp. Hij heeft er direct na deze zondag nog wel enkele zondagen dienst gedaan, maar dan wel met een preek van iemand anders.

Kies dan heden wie gij dienen zult. Dit was – zo kunnen we wel stellen – ook het levensmotto van Louis Bähler. Ook – en misschien wel júíst – voor hemzelf, in zijn eigen leven. Als telg uit een Zwitsers predikantengeslacht werd Louis Bähler in Kesteren geboren in 1867. Hij studeerde net als zijn vader, groot- en overgrootvader, theologie en hij schaarde zich daarbij al vlot achter de ideeën van Leo Tolstoj, de Rus van a.o.  Oorlog en Vrede,
Al vóór zijn eerste predikantsplek kwam Bähler in conflict met de overheid. Dit  naar aanleiding een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden waarin hij een onderzoek eiste naar financiële onregelmatigheden door een collega-theoloog in het weeshuis ‘Neerbosch’ in Nijmegen. Na een aanklacht wegens smaad volgde een boete van ƒ 25. Binnen de kerkelijke organen ging men dwarsliggen als het om Bähler ging. Zo kreeg hij in al april 1894 een beroep vanuit Schiermonnikoog, maar de kerkelijke overheden verleenden geen medewerking en zo zou het uiteindelijk 1,5 jaar duren voordat hij op Schiermonnikoog – door studievriend Tamme Bolt – in het ambt bevestigd kon worden.
Door een studievriend en dus niet door zijn eigen vader. De reden daarvoor was tot nu toe niet bekend. In 2015 echter kocht ik via veilingsite E-bay een schoenendoos vol met correspondentie van Louis Adriën Bähler. Die correspondentie is van zeer persoonlijke aard. Dergelijke stukken ontbreken in het grote Lemferdingearchief in Assen. In deze privécorrespondentie zit ook de brief waarin de vader aan de zoon duidelijk maakt waarom hij hem niet wil bevestigen. Zoon Bähler had namelijk op een vraag van zijn vader geantwoord: ‘Ik kan geen ja zeggen op de vraag ´Zult gij in gedachtenis houden dat Jezus Christus uit de dooden is opgestaan en dat hij geboren is uit de nakomelingschap van David?’ Ik geloof in Jezus als de heerlijkste openbaring van den ‘Zone Gods’ die in ieder mens aanwezig is.’
En even verder in die brief wierp Louis zijn vader voor de voeten: ‘U hebt mij herhaaldelijk met woord en pen groot onrecht en groot verdriet aangedaan en het spijt mij innig dat onze wegen zóó uiteenloopen! Ik reken er op door Bolt bevestigd te worden.’ En uit een andere brief tussen die waardevolle stukken blijkt waarom juist studievriend Tamme Bolt het wél deed.

Bähler kon dus uiteindelijk toch aan het werk op Schiermonnikoog. Hij hield daar, tot genoegen van de eilandbewoners, lezingen over de natuur én over de oosterse mystiek en het boeddhisme, waar hij zich meer en meer in verdiepte. Maar er waren ook andere kanten; In 1897 kwam de volgende rechtszaak, gevolgd door een officiële berisping, omdat Bähler een pleidooi had gehouden voor dienstweigering. Verder schafte hij op Schiermonnikoog de tweede diensten op zondag af en hij weigerde voor te gaan op Hemelvaartsdag. En tenslotte: In 1898 volgde Wilhelmina haar moeder Emma op als koningin. In de kerken werden daarvoor bidstonden gehouden, maar tot leedwezen van de kerkenraad niet op Schiermonnikoog. Bähler weigerde op deze manier voor de staat te bidden.

Denkt u zich eens in wat deze gedragingen betekend moeten hebben voor de top van de Hervormde Kerk in Nederland en voor elke rechtgeaarde calvinist die de dogma’s in ere wil houden, en die stelt dat de overheid door God zélf boven ons is gesteld. Zij zullen, net als de kerkenraadsleden later in Aduard later deden, hun strakke boordjes waarschijnlijk wat losser hebben getrokken. Maar …….. het zou nóg erger worden.

In 1902 vertrok Bähler naar Oosterwolde nadat hij voor Noordwolde – waar we nu zitten – had bedankt. Een jaar later verscheen van hem het boekje: Twee levensbeginselen, waar hij op het omslag de volgende begrippen tegenover elkaar plaatst:

Liefde – Zelfzucht
Geloofsvrijheid – Staatsdwang
Dienstweigering – Krijgsdienst
Vrede – Oorlog
Geluk – Ellende

Ook hieruit blijkt zijn motto ‘Kies dan heden wie gij dienen zult!’

In datzelfde jaar – 1903 dus – ontstond er een landelijke kwestie die in de pers ‘de zaak Bähler’ of ‘de kwestie Bähler’ zou gaan heten. Bähler had een boekje vertaald dat als titel had meegekregen Het “christelijke” barbarendom in Europa. Het boekje ging over Boeddhistische zending. Bähler schreef in het voorwoord dat het een zegen is zoiets te mogen lezen en dat zij die zich christenen noemen, zo zei hij “er beter aan doen grondig kennis te nemen van het boeddhisme opdat men nog eens tot het ware christendom zou kunnen doordringen.” En ook: ‘Want een feit is het, dat onze christelijke wereldbeschouwing waar zij mis is, door de Boeddhistische verbeterd en waar zij onvolledig is, door de Boeddhistische aangevuld kan worden.’ Er volgde een golf van landelijke kritiek omdat men veronderstelde dat hij het Boeddhisme stelde boven het christendom. Bähler werd voor onbepaalde tijd geschorst.

Hij werd verkeerd begrepen, want wie de teksten van Louis Bähler leest, komt tot de conclusie dat hij niet zozeer het boeddhisme aanhing, maar zijn frustraties en boosheid juist uitte tégen het tóénmalige christendom van de westerse cultuur. Niet voor niets stonden er ironietekens om het woord “christelijk”.
Ds. Reitsma van Noordwolde organiseerde een protestmeeting met Vorster van Oldeberkoop. In zijn blad Vergeet-mij-niet plaatste hij een oproep aan zijn gemeenteleden om samen met hem op de fiets naar Oosterwolde te gaan voor ene protestmanifestatie. Na een langdurige procedure, waarbij hij uit Oosterwolde en Fochteloo 522 steunbetuigingen kreeg, werd Bähler volledig gerehabiliteerd. Op 13 augustus 1905 waren het dezelfde Reitsma en Vorster die dat heugelijke feit kwamen melden op de Brink in Oosterwolde.

Voor Bähler eindigde zo een erg vervelende kwestie, maar voor een grote groep die kritiek had geleverd begon een nieuwe fase. Zij richtten uit frustratie nog datzelfde jaar de Gereformeerde Bond op.
Het is wel aardig om te vermelden dat Bähler in deze moeilijke periode veel correspondentie kreeg van zijn vader die hem vooral waarschuwde. Ook vader vond dat zijn zoon wel erg ver ging. Om te voorkomen dat de postbesteller of anderen het konden lezen werden veel kaarten in een soort code geschreven. Het zijn Griekse letters, maar het is geen Grieks. Zet je de Nederlandse letters voor de Griekse in de plaats dan ontstaan Nederlandse woorden. Ook deze kaarten zaten in de doos met persoonlijke correspondentie.

Na de roerige jaren in Oosterwolde, waar hij trouwens zeer geliefd was vertrok Bähler naar Aduard waar hij op 28 maart 1909 intrede deed. Hij zei daar maar meteen dat ze geduld met hem moesten hebben: ‘Beoordeel mij niet te haastig: Ik ben niet iemand die gauw en gemakkelijk vrienden maakt; doch de vrienden dié ik maak, zijn echt en hecht.’ Dat blijkt ook uit een dikke bundel, in de doos met brieven en kaarten, die afkomstig zijn van een jeugdvriend uit het Gelderse Oosterwolde. En na bijna twee jaren van goede contacten en goed werken kwam dan de clash naar aanleiding van de dienst op 15 januari 1911 waarin Bähler waarschuwde tegen een té lankmoedige houding jegens de van ontucht verdachte onderwijzer.

Erg vervelend en vreemd is het dat in veel publicaties over Bähler – met betrekking tot deze zaak – juist het tegenovergestelde wordt beweerd. Bähler zou het volgens die bronnen voor de onderwijzer hebben opgenomen. Gelukkig is de preek bewaard gebleven en laten de krantenartikelen, die over de zaak hebben bericht, niets aan duidelijkheid te wensen over. Maar in het digitale tijdperk is het moeilijk om zaken gecorrigeerd te krijgen. Daarom ben ik blij dat Bähler in dit nieuwe boek ook op dit punt wordt gerehabiliteerd van zaken die auteurs hem in de schoenen schoven.

Bähler is dan dus uiteindelijk slechts vijftien jaar predikant geweest. Dat is overigens veel meer dan hij zelf voor mogelijk had gehouden, zo valt op te maken uit een brief die hij al in 1897 stuurde aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Na slechts twee jaren predikantschap schreef hij in 1897:

“Ingeval ik ooit aftreed, dan heb ik er mij reeds jaren op voorbereid. Reeds jaren geleden was ik gewoon te zeggen, dat ik voor niet meer dan 5 jaren domineeschap instond. Altijd heb ik er een voorgevoel van gehad, dat het mij spoedig onmogelijk zou worden, hetzij van binnenuit, hetzij van buitenaf, dit ambt te bekleeden. Het ambt, herhaal ik. Want godsdienstprediker ben ik met hart en ziel. Het is het eenige waartoe ik geroepen en geschikt bent. In den godsdienst zweef ik niet. Daar heb ik den Rotssteen gevonden.”

Na zijn plotselinge afscheid van Aduard vestigt Bähler zich in Paterswolde op het landgoed Lemferdinge. Hij komt weer in conflict vanwege het samen met Henriëtte Roland Holst opstellen van het zogenoemde dienstweigeringsmanifest. Hij kon kiezen voor ƒ 75 boete of 30 dagen hechtenis. Hij koos voor de boete. Dat nam Ferdinand Domela Nieuwenhuis hem kwalijk. Je moet geen boete betalen aan de staat die je eigenlijk ontkent, vond hij. Bähler schreef daarop een ingezonden artikel waarin hij zijn keuze verklaarde: zijn vrouw Gesina leed namelijk aan duizelingen die zich alleen in de nachtelijke uren voordeden. Hij wilde daarom geen dertig dagen – én nachten – van huis zijn. Kies dan heden wie gij dienen zult: hier diende hij zijn vrouw!

Er verscheen in 1935 een geheel bewerkte versie van zijn boekje Het Boeddhisme, met daarin de passage: ‘Ik wensch niet, Boeddhist te zijn. Ik wensch niet, Christen te zijn. Ik wensch, niets te wezen. Wanneer ik niets ben, dan pas kan ik alles begrijpen, alles waarderen, alles genieten, alles liefhebben.’ In een notitieboekje schreef Bähler eens ‘Ik ben pantheïst.’

(C) Lemferdingearchief Drents Landschap

Hij begon in Paterswolde een iriscopiepraktijk en werkte daarbij samen met de plaatselijke huisarts. Ze verwezen patiënten aan elkaar door. Toen één van die patiënten overleed werd er een klacht ingediend en opnieuw werd Bähler veroordeeld, nu vanwege kwakzalverij.
Zijn gezichtsvermogen werd drastisch minder. Hij werd uiteindelijk vrijwel blind en overleed op 22 maart 1941 en kreeg zijn laatste rustplaats op de begraafplaats in Eelde. Op het gedenkteken dat de geest van de vrijmetselarij ademt staat: ‘Van licht tot licht’. Overigens had Bähler zelf in een aantekenboekje eens bij een schets van het grafmonument een andere tekst gezet:
‘Hier ligt Louis Adriën Bähler die het stoffelijk omhulsel was van diens Hoogere Zelf voor de aardsche jaren 1867 – … Vergiffenis!’
Onduidelijk is of hij later zelf op deze tekst is teruggekomen of dat men deze niet onder ogen heeft gehad toen het monument moest worden uitgekozen.
Wat typeert nu het denken van Louis Adriën Bähler? Dat heeft hij zelf waarschijnlijk het beste verwoord in zijn boek Geestdrift en Verontwaardiging uit 1914. Dat is een door Bähler zelf verzorgde bundeling van zeventig bijdragen die over de periode 1892-1909 in diverse boeken en tijdschriften waren gepubliceerd. Een felle aanklacht tegen het (let wel!) zogenaamde christendom – dat is christendom dat zich wel zo noemt maar er niet naar handelt – een felle aanklacht daartegen dateert van 1901 uit het tijdschrift Vrede.

Daarin schreef Bähler:
“Godsdienst van vrijheid, gelijkheid en broederschap, gij Christendom! zijt die godsdienst niet. Het is uw schuld, dat men liever een Mensch dan een Christen heet. Het is uw schuld, dat de Christennaam mij drukt. Het is uw schuld, als soms de doopdroppelen mij branden en brandmerken op het voorhoofd. Christelijk zijt ge, zonder menschelijk te zijn. Waar zie ik, dat ge de ellende vermindert en niet vermeerdert? Socialisten en anarchisten zullen u voorgaan in het Koninkrijk Gods. O Christendom! wáár is het, dat gij u kennen doet als zuivere, loutere, pure Religie? Waar gij Religie zijt, daar heb ik u lief, daar zijt gij mij de gemeenschap Gods. Waar gij wat anders zijt, daar stookt gij maar haat en sticht gij ellende.”
En ook…..
“Op menschenlevens zijne uw leerstellingen opgetrokken. Hebt gij wel één geloofsartikel, dat zonder bloedstorting tot stand kwam? Met sluwheid en ruwheid, met sluiperij en kruiperij zijt gij wereldgodsdienst geworden. Zóó, zie, zóó hebt gij de wereld overwonnen.”

Nogmaals: het ging Bähler dus om een aanklacht tegen het zogenaamde christendom: wél de woorden – niet de daden. Ook in deze woorden uit 1901, die hij dus in 1914 herhaalde klinkt zijn levensmotto door: Kies dan heden wie gij dienen zult.

Louis Adriën Bähler was een markante persoonlijkheid die het verdient om niét te worden vergeten!